| |
Historie
Er is weinig gepubliceerd over de geschiedenis van de schietsport in Nederland. Uit onderzoek blijkt dat omstreeks 1851 de schietsport ontstond nadat Koning Willem III op Het Loo in 1851 dertien scherpschutterijen ontving voor een wedstrijd, genaamd het "Koninklijk concours". Met zijn belangstelling voor de schietsport heeft Koning Willem III de basis gelegd voor het verenigen van de Nederlandse scherpschutterijen in een overkoepelend orgaan, de Nederlandsche Scherpschutterij, dat op 13 mei 1858 opgericht werd (zie artikel bondstijdschrift “Schietsport”, uitgave juni 2000).
De “Vereeniging van Nederlandsche Scherpschutters” werd op 15 juni 1890 opgericht en kan als voorloper van de huidige KNSA beschouwd worden. Tot de doelstellingen van de vereniging behoorde “de beoefening van het juistschieten in Nederland aan te moedigen en tot eene volkszaak te maken, ter bevordering van ’s lands weerbaarheid”. Op verzoek van het toenmalige bestuur heeft Koning Willem III het Beschermheerschap van de schutterij toen op zich genomen.
In die tijd bestonden er drie landelijk opererende organisaties, vrijwel gelijkelijk qua doelstelling, namelijk:
- de Schietvereniging “De Vrijheid” (opgericht: 30-01-1952)
- de Nederlandse Luchtbuks Federatie (opgericht: 12-12-1959)
- de Vereeniging van Nederlandsche Scherpschutters (opgericht: 15-06-1890)
Na het overlijden van Koning Willem III in 1890, wordt Koningin Emma regentes en Beschermvrouwe van de Vereeniging van Nederlandsche Scherpschutters, en na de officiële inhuldiging van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina in 1898, wordt begin 1899 het predikaat “Koninklijk” door Hare Majesteit Koningin Wilhelmina aan de Vereniging toegekend (bekendmaking in Algemene Vergadering van 28-05-1899) en vanaf dan wordt de naam “Koninklijke Vereeniging van Nederlandsche Scherpschutters”.
Op uitnodiging van het Nationaal Olympisch Comité (NOC) met een rijkssubsidie en een bedrag verkregen uit particuliere bronnen, nam de vereniging in 1908 met een Nederlands team van zes man en één reserve-schutter deel aan de Olympische Spelen in Engeland.
Een voorstel om de KVvNS voort te zetten in de Bond van Nederlandsche Schietvereenigingen werd ingediend op de algemene ledenvergadering van 9 augustus 1909 maar, mede op aandrang van de landsoverheid, ingetrokken.
In de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog was er nog maar weinig leven in de schuttersbrouwerij en lag het “juistschieten” in Nederland nagenoeg stil. Erg langzaam kwam daar weer schot in en er ontstonden regionaal kleinere schietbonden en –bondjes. 1920 was ook het jaar van de Olympische Spelen in België op de onderdeel Groot Kaliber Geweer en Pistool. In dit jaar werden ook de activiteiten van het internationaal overkoepelend orgaan, de Union Internationale des Fédérations et Associations de Tir (de huidige ISSF), weer opgepakt en de KVvNS werd lid van deze bond. In 1924 werden de Olympische Spelen in Frankrijk gehouden en bij het geweerschieten werd Nederland 9e van de 14 deelnemende landen; bij het pistoolschieten 12e.
Met het overlijden van Koningin Regentes Emma verloor de KVvNS haar Beschermvrouwe en een paar maanden later overleed ook Prins Hendrik, die o.m. Beschermheer was van de koninklijke schuttersvereniging.
Toen op 1 september 1940 in Nederland de algemene mobilisatie werd afgekondigd moesten alle particulieren hun schietwapens inleveren en werden schietoefeningen voorlopig verboden. Tijdens de vijf oorlogsjaren waren er geen of nauwelijks activiteiten. De schietsport was door de bezetters verboden, vrijwel alle wapens waren in beslag genomen en de banen, verwoest of door gebrek aan onderhoud, onbruikbaar. Pas na de bevrijding kwam het sportschieten weer heel langzaam op gang. De eerste algemene ledenvergadering van de KVvNS werd gehouden op 19 mei 1946 in Utrecht. Per brief van 20 mei 1946 ontving de KVvNS van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (waaronder ook sport ressorteerde) de bevestiging zich als “gezuiverd” te mogen beschouwen; een verklaring die na de oorlog nodig was om de activiteiten te mogen voortzetten. Er werden nieuwe Statuten opgesteld metals twee belangrijkste doelstellingen “het bevorderen van de beoefening van het schieten in Nederland in het belang van ’s lands weerbaarheid en de Nederlandse vlag hoog te houden door deel te nemen aan internationale wedstrijden”.
Met ingang van 1 januari 1960 werd de KVvNS geaccepteerd als lid van de Nederlandse Sport Federatie en voor het eerst na 1952 had Nederland in 1964 weer een deelnemer aan de Olympische Spelen. De schietsport kende in 1966 een flinke opbloei en ook de KVvNS deelde in die hausse. Veel kleine verenigingen sloten zich aan en bevestigden het vooruitzicht dat de KVvNS meer een meer de algemene Nederlandse schuttersbond werd.
Fusie 3 organisaties → KNSA
Een zeer bijzondere mijlpaal in de geschiedenis van het sportschieten in Nederland was de fusie tussen de drie eerdergenoemde organisaties, die mede door toedoen van de Nederlandse Sport Federatie, maar vooral uit verstandelijke overwegingen, op 14 december 1968 in Musis Sacrum te Arnhem tot stand kwam, onder de naam “Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie”.
Al vrij kort na de fusie kreeg de KNSA een eigen embleem dat in de tweede helft van 1970 werd vervangen door het vignet dat thans nog wordt gebruikt. Tot aan zijn overlijden in december 2004 was ZKH Prins Bernard Beschermheer van de KNSA. Op dit moment heeft de KNSA geen beschermheer.
Met ingang van 1 september 1970 werd het KNSA-schietpaspoort als legitimatie- en lidmaatschapsbewijs van kracht. Deelname aan officiële wedstrijden was toen nog alleen maar mogelijk na het tonen van het “paspoort” (inmiddels vervangen door de KNSA-schutterslicentie).
Op initiatief van de KNSA vond op 21 mei 1970 een contactavond plaats met de verschillende regionale schietbonden (o.a. de Schietbond Gelderland, Aaltense schietbond en de Winterswijkse Schietbond), metals doel meer eenheid te krijgen in de Nederlandse schietwereld. Er bestonden opmerkelijke verschillen in schijven, afstanden, competities, en dergelijke. Bijna alle verenigingen sloten zich toen bij de Associatie aan en gingen de nationale regels volgen. In 1972 werden besprekingen gevoerd om tot een nauwere samenwerking te komen met de Limburgse Windschuttersbond en met de eveneens in Limburg werkzame Nederlandse Bond voor Sportschutters. Geschoten werd daar met pluimpjes en dat zou wellicht kunnen leiden tot een nieuwe KNSA-discipline. Resultaten bleven echter vooralsnog uit.
Eén Geweerschutter en twee Kleiduivenschutters namen in 1972 deel aan de Olympische Spelen in West-Duitsland, en de nationale en internationale wedstrijden op alle disciplines groeiden sterk in aantal en kwaliteit. Vooral zwartkruit en lucht roerden zich geducht in 1973 en op 2 december 1975 werd een zesde schietdiscipline door de KNSA ingevoerd, door het officieel erkennen van de wapengroep Zwartkruit.
Er brak een periode van bloei aan en het ging eigenlijk te goed met de schietsport, hetgeen ook rond 1977 tot uiting kwam door het voornemen van de Overheid om het gros van de militaire open 100-meterbanen te sluiten. Deze werden niet meer veilig genoeg geacht en zouden vervangen worden door een veel geringer aantal schermenbanen. Vanaf 1979 gaan de circa 60 “oude” (gevaarlijke) militaire schietbanen successievelijk dicht en werden vervangen door 21 veiliger exemplaren, die onder bepaalde voorwaarden op zaterdagen door KNSA-schutters mochten worden gebruikt.
De archieven, voor zover die nog aanwezig zijn, bevinden zich op het Bondsbureau in Leusden. Zo zijn daar ook nog voorhanden alle edities van het bondsorgaan vanaf 1890, toen nog genaamd “De Scherpschutter, orgaan voor de schutterij en de schietsport in Nederland, ter bevordering van ’s lands weerbaarheid”, inmiddels genaamd “Schietsport, magazine voor de Nederlandse sportschutter”.
Prestaties
Afgezien van de koninklijke oorsprong van de schietsport in Nederland en de grote affiniteit die verscheidene leden van het Koninklijk Huis vroeger en nu met de schietsport hebben, zijn natuurlijk belangrijke Nederlandse schutters geweest diegenen die tijdens Olympische Spelen medailles hebben behaald, namelijk:
- bronzen medaille behaald door de revolverploeg, bestaande uit Henrik Sillem, Solko Johannes van den Bergh, Anthony Sweys, Dirk Boest Gips en Antonius Bouwens, in 1900 te Parijs
- zilveren medaille behaald door de Kleiduivenschutter Eric Swinkels, onderdeel Skeet, in 1976 te Montréal
De meest in het geheugen van de huidige Nederlandse schietsport staande prestatie betreft de zilveren medaille, behaald tijdens de Olympische Spelen in 1976 te Montréal door Kleiduivenschutter Eric Swinkels. Eric Swinkels heeft in totaal zes maal deelgenomen aan de Olympische Spelen, waarvan de laatste in 1996 in Atlanta. Het laatste hoogste resultaat dat tijdens de Olympische Spelen is behaald was een 4e plaats in Sydney, Australië in 2000 door Hennie Dompeling op het onderdeel Kleiduiven Skeet Heren.
Kleiduivenschieten
Het Kleiduivenschieten is ontstaan uit de jacht. Al vóór de uitvinding van vuurwapens werd er op gevogelte gejaagd. In een later stadium was het jagen voorbestemd voor de hogere klasse, die het schieten op duiven beoefende om hun schietvaardigheid op peil te houden.
In 1822 beschrijft men het kleiduivenschieten als een specifieke sport die door een bijzondere klasse van sportmensen wordt beoefend, grote schietvaardigheid vereist en gelegenheid geeft tot het afsluiten van grote weddenschappen en het houden van wedstrijden. Deze wedstrijden werden als volgt gehouden. In het schootsveld werden manden met (echte) duiven geplaatst. Deze manden waren door middel van een touw verbonden met een helper die op commando van de schutter de manden opende, waardoor de duiven konden wegvliegen. In de 19e eeuw werd deze “sport” beoefend om grote weddenschappen af te sluiten. Bekend is dat in de Verenigde Staten van Amerika hierdoor miljoenen trekduiven zijn uitgeroeid.
Onder invloed van diervriendelijke groeperingen is deze vorm van duivenschieten inmiddels bijna overal ter wereld verboden. In eerste instantie werd daarna geschoten op met veren gevulde glazen ballen ter grootte van een tennisbal. Later zijn dat de nu alom bekende kleiduiven geworden.
|
|