Home

Reactie KNSA-bestuur op CWM 2014

vrijdag 11 juli 2014

In de afgelopen periode hebben bestuur en directie van de KNSA stevig moeten onderhandelen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie teneinde de belangen van de schietsportbeoefening in Nederland optimaal te behartigen. Dat gebeurde noodzakelijkerwijs buiten de openbaarheid. Nu inmiddels de nieuwe CWM 2014 en een gewijzigde RWM zijn vastgesteld, is het KNSA-bestuur van mening meer inzicht te moeten geven in dit proces en vooral in de maatregelen die het Ministerie aanvankelijk wilde nemen.

De uitspraak van de Raad van State van 20 november 2013 noopte de Minister van Veiligheid en Justitie tot aanpassing van de Regeling wapens en munitie en van de Circulaire wapens en munitie (RWM en CWM). Uiteraard respecteert de minister deze uitspraak maar hij wil voorkomen dat leden van schietverenigingen die gebruik maken van vuurwapens, in de anonimiteit geraken, metalle daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Om die reden is destijds in het kader van zelfregulering, een rol aan de KNSA toebedeeld door middel van de verstrekking van de KNSA-licentie en later de certificering van schietsportverenigingen.

In zijn begeleidend schrijven stelt de minister dat nu ook schietverenigingen en hun leden die niet zijn aangesloten bij de KNSA, voor een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie in aanmerking komen. De minister voegt er wel aan toe dat dergelijke verenigingen en hun leden aantoonbaar aan dezelfde eisen zullen moeten voldoen als die welke gelden voor een bij de KNSA aangesloten vereniging, en daarom door de KNSA moeten worden gecertificeerd.

Teneinde de kwaliteit van de schietsportbeoefening in Nederland te waarborgen, heeft het KNSA-bestuur zich daartoe desgevraagd bereid verklaard, met dien verstande dat de KNSA aan de verenigingen die niet bij de KNSA aangesloten zijn maar wel een verzoek om certificering indienen, de certificering als een dienst zal aanbieden. Daarvoor zal de KNSA een passende vergoeding vragen. Binnen afzienbare tijd zal voor die verenigingen hierover meer informatie worden verstrekt.

Alle zeilen bijzetten
Het KNSA-bestuur is steeds van mening geweest dat voor het verplichte KNSA-lidmaatschap in de Circulaire onvoldoende wettelijke grondslag is en heeft de minister destijds dan ook aanbevolen deze verplichting op z’n minst in de Regeling op te nemen. Het KNSA-bestuur heeft altijd gewezen - ook bij de minister - op de bezwaren die aan een dergelijk systeem kleven, maar realiseerde zich tegelijkertijd datalle alternatieven de schietsportbeoefening in Nederland meer schade zouden berokkenen. Immers, de zelfregulerende taak van de KNSA voorkomt teveel bemoeienissen van de Overheid bij de beoefening van de schietsport en beperkt de toenemende maatregelen die door de Overheid bij de beoefening van de schietsport en de afgifte van wapenverloven aan ons worden opgelegd.

In de voorbije maanden is door het bestuur en de directie van de KNSA intensief overleg gevoerd met het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Nationale Politie teneinde in de aanpassingen van de CWM en RWM de belangen van de schietsportbeoefening maximaal te behartigen. Onze verwachtingen dat de uitspraak van de Raad van State en het wegvallen van het verplichte KNSA-lidmaatschap wel eens tot verscherping van regelgeving zou kunnen leiden, zijn bewaarheid geworden. Deze nieuwe CWM 2014 en vooral de voorgenomen maatregelen - die wij ternauwernood hebben kunnen afwenden - zijn niet het gevolg van het drama in Alphen aan den Rijn, maar het gevolg van diegenen die zo nodig de constructie omtrent het KNSA-lidmaatschap moesten aanvechten. Uit de hieronder vermelde opsomming moge blijken dat het maar een haar gescheeld heeft of de schietsportbeoefening was door een groot aantal maatregelen ernstig in de uitoefening belemmerd. De ontwikkeling voor de toekomst van de schietsport in al zijn vormen zou vrijwel onmogelijk zijn geworden.

Alle zeilen zijn bijgezet om dat te voorkomen; met kennis van zaken, met goede argumenten en met het nemen van een verantwoordelijkheid die past bij een sportorganisatie met meer dan 40.000 aangesloten sporters.

Wij geven hieronder in willekeurige volgorde, een selectie van de maatregelen die ons zonder adequate reacties, ten deel zouden zijn gevallen.

 1. De Minister erkent de schietsportdisciplines
  In de eerste concepten van de Circulaire en de Regeling is ervoor gekozen om niet de KNSA maar de minister de schietsportdisciplines in Nederland te laten bepalen. Alle tot op dat moment gereglementeerde en erkende schietsportdisciplines waren integraal in de concept Circulaire opgenomen en bovendien was de mogelijkheid om nog de zogenaamde “facultatieve disciplines” te beoefenen daarin volledig geschrapt. Het gevolg daarvan zou zijn geweest dat er niet of nauwelijks nog ruimte zou zijn voor de ontwikkeling van nieuwe disciplines en dat wijzigingen in het Schiet- en Wedstrijdreglement, die van invloed zijn op de gebruikte wapens, eerst aan de Minister zouden moeten worden voorgelegd. De KNSA heeft het Ministerie ervan kunnen overtuigen dat niet de Overheid maar de landelijke sportbond zelf uiteindelijk bepaalt wat de takken van de (schiet)sport zijn en welke reglementen daarop van toepassing zijn. Onze argumenten hebben er uiteindelijk toe geleid dat voor de aanvraag van verloven, de verwijzing naar door de KNSA gereglementeerde en erkende disciplines blijft behouden.
   
 2. De Minister bepaalt de certificeringseisen
  In de eerste concepten was het Programma Basiscertificering in zijn geheel, dus integraal, onderdeel van de Circulaire wapens en munitie. Een programma van kwaliteitseisen, dat door de KNSA samen met haar leden met veel zorg is samengesteld en waarin wij tezamen met die verenigingen, onze eigen verantwoordelijkheid hebben genomen. Dat zou geen recht doen – en daar hebben wij het Ministerie ook op gewezen – aan de inspanningen die de KNSA en haar verenigingen in de afgelopen jaren hebben verricht om de veiligheidsrisico’s bij het gebruik van vuurwapens voor de schietsport te verminderen. Het zou bovendien de KNSA en haar leden in een keurslijf plaatsen en het zou de KNSA, als het gaat om certificeren, tot een uitvoeringsinstituut degraderen. Wij hebben daartegen dan ook ernstig bezwaar gemaakt, en dat heeft ertoe geleid dat de integrale tekst van de certificering uit de CWM is geschrapt en dat nog slechts de hoofdpunten waarop de certificering moet plaatsvinden, in de CWM zijn opgenomen. Dat is voor het KNSA-bestuur aanvaardbaar en is ook in overeenstemming met de overeenkomst die destijds met de Minister is gesloten.
   
 3. Gedwongen wijziging van de statuten voor alle schietverenigingen
  Het Ministerie was voornemens in de CWM op te nemen dat schietverenigingen niet alleen in hun statuten moeten opnemen dat zij hun leden in de gelegenheid stellen de schietsport te beoefenen (die bepaling is al sinds jaar en dag van kracht), maar daar zou een bepaling bijkomen, namelijk dat de schietsport wordt beoefend overeenkomstig de door de KNSA erkende of gereglementeerde takken van schietsport. Deze wijziging in de Circulaire zou ertoe leiden dat vrijwel alle 750 schietverenigingen worden gedwongen hun statuten te wijzigen, metalle organisatorische en financiële consequenties van dien. Wij hebben dat kunnen voorkomen.
   
4.
Jaarlijks 18 schietbeurten, ook voor verenigingsverlof
  Het Ministerie wilde bij de verlening en bij de verlenging van een verenigingsverlof het minimum aantal van 18 schietbeurten per jaar tevens van toepassing te verklaren. Wij hebben het Ministerie ervan weten te overtuigen dat dat ongewenst is en niet in overeenstemming met het doel van een verenigingsverlof.
   
5.
Aantonen wedstrijddeelname bij de politie
  Als onderdeel van de minimaal 18 schietbeurten per jaar voor een privéverlof was toegevoegd dat minimaal vijf (5) schietbeurten daarvan in wedstrijdverband moesten plaatsvinden. Wij hebben erop gewezen dat dat een voorwaarde is die voortvloeit uit de certificering die de KNSA uitvoert en waarin voor de politie geen taak is toebedeeld. Dat zou namelijk tot ongewenste situaties leiden en kan de opmaat zijn voor een hellend vlak ten aanzien van de soort wedstrijden en de prestaties die daar geleverd worden. Deze bepaling is uiteindelijk verwijderd. Het blijft dus een voorwaarde waar het verenigingsbestuur en de KNSA op toezien.
   
6.
Toezicht op certificeringsvereisten door politie
  Onder het artikel ‘Toezicht op schietverenigingen’ was opgenomen dat de politie ook controle zou uitvoeren op de vraag of de vereniging zich houdt aan de certificeringsvereisten. Dat hield uiteraard verband met het integraal opnemen van de voorwaarden voor certificering in de CWM, maar daar is door ons tegen geageerd. Wij hebben erop gewezen dat de verstrekking van het certificaat een taak van de KNSA is. De politie controleert of de vereniging wel of niet over het certificaat beschikt.
   
7.
VOG-eis in CWM
  In de CWM is nu opgenomen dat bij de aanvraag van het lidmaatschap van een schietvereniging een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet worden overgelegd. Op het eerste gezicht lijkt dat geen bezwaar te zijn; immers, die verplichting vloeit al voort uit het Huishoudelijk Reglement en uit de certificering van de KNSA. Desondanks hebben wij erop gewezen dat een dergelijke eis een naar onze mening te grote inbreuk op het vrije recht van vereniging veroorzaakt en de CWM zich primair zou moeten beperken tot voorwaarden die verband houden met het bezit en het gebruik van vuurwapens in de schietsport. Het Ministerie heeft, ondanks onze bezwaren, deze zogenaamde VOG-eis toch in de CWM gehandhaafd.
   
8.
Bewaartermijn VOG naar zeven jaar
  Het Ministerie wilde de KNSA en de verenigingen een bewaartermijn van maar liefst zeven (7) jaar opleggen voor de Verklaring Omtrent het Gedrag. Wij hebben het Ministerie ervan weten te overtuigen dat dat tot een ongewenste papiermassa leidt en niet bijdraagt aan het doel dat daarmee wordt beoogd. De bewaartermijn van zeven jaar is daarom uiteindelijk geschrapt.
   
9.
Verenigingsadministratie minimaal zeven jaar verplicht in kluis opbergen
  Ernstig protest hebben wij gemaakt tegen een extra bepaling dat het archief van de vereniging (dat wil dus zeggen de gehele administratie, waaronder ook presentieregisters, introducéregisters en wat dies meer zij) in een kluis moest worden opgeborgen. Voor veel verenigingen zou dat geleid hebben tot het aanschaffen van één of meerdere extra kluizen; te meer ook omdataan diezelfde bepaling nog een extra bepaling was gekoppeld, namelijk een bewaartermijn van maar liefst zeven (7) jaar. De huidige bewaartermijn voor uit de WWM voortvloeiende registers en staten is drie (3) jaar. Een en ander zou leiden tot een enorme papiermassa en zou niets bijdragen aan het doel dat met het opbergen en de bewaartermijnen wordt beoogd. Het Ministerie heeft deze bepalingen, na ons protest, uit de CWM geschrapt.
   
10.
Herintreders
  Ofschoon het in de voorgaande CWM, voor wat betreft de KNSA, duidelijk genoeg was dat voor degenen die een verlof aanvragen en reeds in het verleden over een verlof beschikten, de bepalingen omtrent de eerste aanvraag van een verlof niet van toepassing zijn (immers, het betreft niet de eerste aanvraag) ontstonden daarover desondanks misverstanden. Dat heeft geleid tot een nieuw artikel voor zogenaamde ‘herintreders’ waarmee zij zich kunnen beroepen op oude rechten. Dat betekent dat wanneer iemand verlof aanvraagt terwijl hij of zij kan aantonen in het verleden reeds verlof gehad te hebben gehad, de fasering (inhoudende dat het eerste wapen moet zijn toegelaten in een olympische schietsportdiscipline) op deze betrokkene niet van toepassing is.
   
11.
Risicofactoren onderdeel van thuiscontrole
  De bepalingen omtrent de thuiscontrole waren aanvankelijk zo geformuleerd, dat de zogenaamde ‘inzet van risicofactoren’ zou worden aangewend bij die thuiscontrole. Daarmee zou de controle zich in beginsel niet beperken tot het controleren van de opbergplaats en het controleren of daarin de wapens op de juiste wapens zijn opgeborgen, gescheiden van de munitie overeenkomstig het verlofdocument. Die formulering zou er onzes inziens, toe leiden dat de deur wagenwijd wordt opengezet voor ongewenste situaties bij de thuiscontrole, waarover wij reeds eerder – ook in de media – gewag hebben gemaakt. De tekst is zodanig aangepast, dat nu uitsluitend wanneer daarvoor aanleiding is dan wel in de observatie van de politieambtenaar constateringen zijn die daartoe aanleiding geven, het aantal controles kan worden geïntensiveerd.
   
12.
Erkenningsplicht voor herladers en zwart-kruitschutters
  De destijds opgenomen bepaling dat degenen die beschikken over een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen zijn vrijgesteld van de erkenningsplicht conform de Wecg (Wet explosieven voor civiel gebruik) voor het voorhanden hebben en opbergen van kruit, zou worden geschrapt. Dat zou tot grote administratieve en financiële consequenties voor sportschutters die herladen en met zwart kruit schieten, geleid hebben. Het zou bovendien de werkdruk voor politieambtenaren onnodig verhogen, terwijl het doel dat daarmee wordt beoogd daarvoor niet relevant is. De KNSA heeft zich uiteraard bereid verklaard akkoord te gaan met het schrappen van deze bepaling uit de Circulaire, mits de Wecg daarop wordt aangepast op zodanige wijze, dat de administratieve en financiële druk voor verlofhouders die herladen en/of met zwart kruit schieten niet toeneemt. Dat bleek op dit moment niet mogelijk te zijn zodat de bepaling in de Circulaire, op aandringen van de KNSA, is gehandhaafd.


Dit is slechts een greep uit de maatregelen die als gevolg van de uitspraak van de Raad van State, aan ons opgelegd hadden kunnen worden. Tot ons genoegen hebben wij die kunnen afwenden; waakzaamheid blijft geboden.

Bestuur KNSA